Faillissement Vennootschap onder firma ?

Een vennootschap onder firma heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een besloten vennootschap, geen rechtspersoonlijkheid. Vennoten zijn met hun (privé)vermogen aansprakelijk voor schulden van de vennootschap in tegenstelling tot bijvoorbeeld schulden van een besloten vennootschap. Bij het deelnemen in een vennootschap onder firma is het derhalve van groot belang om goede afspraken te maken wie en in welke gevallen de vennootschap onder firma kan binden. Goede afspraken in een vennootschapscontract zijn onontbeerlijk. Om deze ook tegen derden op te werpen is het van belang dat deze worden geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

Ook indien een vennoot toetreedt tot een vennootschap onder firma is het van groot belang om goed te onderzoeken welke schulden er zijn en bovendien welke claims er uit het verleden kunnen volgen. Denk bijvoorbeeld aan bodemverontreiniging.

Tot 2015 was het uitgangspunt dat het faillissement van een vennootschap onder firma met zich meebracht dat daarmee eveneens de vennoten van de vennootschap onder firma in staat van faillissement kwamen te verkeren. In 2015 oordeelde de Hoge Raad dat deze sinds 1927 heersende leer diende te worden verlaten.

De Hoge Raad oordeelt:

De omstandigheid dat een vof haar verplichtingen niet voldoet, kan het oordeel wettigen dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Indien zij op die grond failliet verklaard wordt zal, gelet op art. 18 WvK, het faillissement van de vennoten doorgaans onvermijdelijk zijn, maar dat behoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn.

Zo kan een vennoot, in tegenstelling tot de vof zelf, voldoende (privé)vermogen hebben om zowel de schuldeisers van de vof als zijn privéschuldeisers te voldoen; ook als hij bepaalde vorderingen niet voldoet, brengt dat nog niet noodzakelijkerwijs mee dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Voorts is van belang dat, in verband met het feit dat de vof een afgescheiden vermogen heeft, de vorderingen op de vof en op de vennoten als afzonderlijke (samenlopende) vorderingen moeten worden beschouwd, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald. In verband daarmee is het mogelijk dat een vennoot een hem persoonlijk toekomend verweermiddel (bijvoorbeeld een tegenvordering) kan aanvoeren tegen de vordering van de aanvrager van het faillissement of van andere schuldeisers (vgl. HR 18 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:BG9455, NJ 1960/121 en HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9261, NJ 2004/212).

Gelet op dit een en ander is het niet noodzakelijk dat, zoals de hiervoor in 3.3 genoemde rechtspraak inhoudt, het faillissement van de vennoten steeds en zonder meer intreedt als een gevolg van het faillissement van de vof.

Vanzelfsprekend kunt u altijd vrijblijvend contact opnemen onder nummer 06-24202335 of een e-mail aan contact@jurist.nl